home  print  newsletter
09.10.2006

Belastingheffing en het vrij verkeer van personen: een recent voorbeeld

Een grensarbeider die in Nederland of België woont en in Duitsland werkt, betaalt belasting in zijn werkland. Hij wordt in principe als beperkt belastingplichtig behandelt en heeft slechts beperkt recht op aftrekposten en belastingvrije sommen. Wanneer echter meer dan 90% van zijn inkomen uit Duitsland afkomstig is of hij niet meer dan €6.136,- in zijn woonland verdient (€12.272,- wanneer het gehuwden betreft), kan hij op verzoek als onbeperkt belastingplichtig behandeld worden. Hij heeft dan recht op dezelfde fiscale aftrekposten als personen die in Duitsland wonen en werken. Bijkomende voorwaarden die niet-ingezetenen ongunstiger behandelen, kunnen in strijd zijn met het vrij verkeer van personen.

Een recent arrest van het Europees Gerechtshof illustreert dit principe: Het echtpaar Hans-Jürgen en Monique Ritter-Coulais is werkzaam in Duitsland en woonachtig in Frankrijk. Zij zijn onbeperkt belastingplichtig. Het echtpaar bezit een eigen huis en wilde dat bij de bepaling van het tarief van de door hen over het belastingjaar 1987 verschuldigde belasting rekening gehouden werd met negatieve inkomsten voortvloeiend uit het eigen gebruik van hun woning.

Het belastingverdrag tussen Duitsland en Frankrijk schaalt deze negatieve inkomsten in de categorie van "inkomsten uit gebruik van onroerend goed". Deze inkomsten zijn enkel belastbaar in de staat waar het onroerend goed zich bevindt. Het Belastingverdrag biedt Duitsland vervolgens wel de mogelijkheid bij de bepaling van het tarief van de door hen verschuldigde belasting rekening te houden met deze negatieve inkomsten. Duits recht bepaalde echter dat negatieve inkomsten uit gebruik van onroerend goed slechts in aanmerking genomen kunnen worden, indien er tevens sprake is van positieve inkomsten uit verpachting of verhuur.

Het Hof benadrukte in zijn arrest dat het vrije verkeer van personen beoogt het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker te maken, op het gehele grondgebied van de Gemeenschap om het even welk beroep uit te oefenen. Regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten, zijn in strijd met dit beginsel van vrij verkeer. Personen die, zoals de echtgenoten Ritter-Coulais, in Duitsland werken, maar in hun eigen woning in een andere lidstaat wonen, kunnen bij het ontbreken van positieve inkomsten, anders dan personen die in Duitsland werken en aldaar in hun eigen woning wonen, er geen aanspraak op maken dat bij de bepaling van het belastingtarief voor hun inkomsten rekening wordt gehouden met negatieve inkomsten uit de verhuur van hun woning. Ofschoon deze nationale regeling niet rechtstreeks betrekking heeft op niet-ingezetenen, zijn deze wel vaker eigenaar van een buiten het Duitse grondgebied gelegen woning dan ingezetenen. Derhalve worden niet-ingezeten werknemers door de nationale regeling minder gunstig behandeld dan werknemers die in Duitsland in hun eigen woning wonen. Deze ongunstigere behandeling van niet-ingezeten belastingplichtigen is niet te rechtvaardigen vanwege de noodzaak, de fiscale samenhang te waarborgen van het nationale stelsel waarin de betrokken regeling is opgenomen. Deze duitse regeling was aldus in strijd met het gemeenschapsrecht en diende buiten toepassing verklaard te worden.