home  print  newsletter
16.11.2007

Duitse Studiefinanciering over de grens:

arresten Morgan en Bucher



Het Europese Hof van Justitie heeft in de samengevoegde zaken Morgan en Bucher positieve uitspraken gedaan over de toekenning van studietoelagen aan studenten die in een ander land studeren. Enkele uittreksels uit het persbericht:

Na haar middelbare school in Duitsland heeft Rhiannon Morgan een jaar als au pair in Groot-Brittannië gewerkt. Daarna is zij genetica gaan studeren aan de universiteit van Bristol. De Duitse autoriteiten weigerden echter om haar een studietoelage te betalen omdat de nationale wetgeving slechts een studietoelage toekent indien de opleiding een voortzetting vormt van een gedurende een jaar aan een Duitse instelling gevolgde opleiding (artikel 5 lid 1 Duitse Wet Studiefinanciering).

Iris Bucher, die ook de Duitse nationaliteit heeft, woonde aanvankelijk met haar ouders in Bonn. Zij verhuisde naar Düren, aan de grens met Nederland, om ergotherapie te studeren in Heerlen. Bucher ontving evenmin de door haar aangevraagde studietoelage, omdat zij, anders dan de Duitse regeling vereist, geen "vaste" verblijfplaats in een grensstad heeft (artikel 5 lid 2 Duitse Wet Studiefinanciering).

In haar arrest herinnert het Hof eraan dat de lidstaten weliswaar bevoegd zijn de inhoud van het onderwijs en de opzet van hun respectieve onderwijssystemen te regelen, maar deze bevoegdheid moeten uitoefenen met eerbiediging van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder het vrije verkeer van de burgers van de Unie.

Wanneer een lidstaat derhalve een stelsel van studietoelagen hanteert waarbij studenten voor een dergelijke toelage in aanmerking kunnen komen indien zij in een andere lidstaat studeren, dient hij ervoor te zorgen dat de modaliteiten voor de toekenning van die toelage geen ongerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer in het leven roepen.

De dubbele verplichting dat de student gedurende ten minste één jaar in Duitsland een opleiding moet hebben gevolgd en in een andere lidstaat uitsluitend diezelfde opleiding moet voortzetten, ontmoedigt de burgers van de Unie wegens de persoonlijke ongemakken, de extra kosten en de eventuele vertragingen die zij meebrengt, Duitsland te verlaten en in een andere lidstaat te gaan studeren. Zij vormt dus een beperking van het vrije verkeer van de burgers van de Unie.

Het Hof erkent dat de doelstelling, te bevorderen dat de studenten hun studie zo snel mogelijk afronden, een legitiem doel kan vormen in het kader van de organisatie van het onderwijssysteem. De voorwaarde inzake een eerste studieperiode in Duitsland is echter ongeschikt voor de verwezenlijking van die doelstelling.

Het vereiste dat de in het buitenland gevolgde opleiding de voortzetting moet vormen van de opleiding in Duitsland, is niet evenredig aan het doel, de studenten in staat te stellen na te gaan of zij "de juiste keuze" hebben gemaakt bij hun studie. Dit vereiste kan studenten immers beletten om in een andere lidstaat een andere opleiding te volgen dan die welke zij in Duitsland hebben gevolgd. Voor opleidingen waarvoor in Duitsland geen equivalent bestaat, moeten de betrokken studenten kiezen tussen het volledig afzien van de opleiding die zij hadden willen volgen, ofwel het niet meer in aanmerking komen voor een studietoelage.

Het Hof geeft te kennen dat het in beginsel gerechtvaardigd is dat een lidstaat, om ervoor te zorgen dat de toekenning van studietoelagen aan studenten die in andere lidstaten wensen te studeren, geen onredelijke last wordt die het algemene niveau van de door deze staat toekenbare steun zou kunnen beïnvloeden, die steun enkel toekent aan studenten die blijk hebben gegeven van een zekere mate van integratie in de samenleving van deze staat. De voorwaarde inzake een eerste studieperiode is echter te algemeen en te eenzijdig, aangezien zij een te groot gewicht toekent aan een factor die niet noodzakelijkerwijs een juiste weergave is van de mate van integratie in de samenleving van die lidstaat op het tijdstip van de steunaanvraag.

Het Hof wijst ook het betoog af volgens hetwelk de voorwaarde inzake een eerste studieperiode noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat door diverse lidstaten toegekende steun niet wordt gecumuleerd. Het merkt op dat die voorwaarde in geen geval tot doel heeft, een eventuele cumulatie te verhinderen of in aanmerking te nemen. Derhalve kan niet worden gesteld dat het vereiste van een eerste studieperiode in Duitsland op zich geschikt of noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat geen steun wordt gecumuleerd.

Het Hof concludeert dat de ingeroepen gronden de beperking van het vrije verkeer niet kunnen rechtvaardigen.