
16.10.2007
België in het beklaagdenbankje voor belemmering van detachering van werknemers uit derde landen
De Europese Commissie heeft op 27 juni j.l. een
persbericht gepubliceerd waarin zij haar besluit aankondigt om België voor het Hof van Justitie te dagen wegens de voorwaarden die worden opgelegd aan werkgevers uit de Gemeenschap die, in het kader van een grensoverschrijdende dienstverrichting, werknemers willen detacheren die onderdaan zijn van derde landen. De Commissie is van oordeel dat deze voorwaarden in strijd zijn met de Verdragsregels met betrekking tot het vrije verkeer van diensten (artikel 49 van het Verdrag). Wij publiceren hieronder enkele fragmenten uit dit bericht.
"De Commissie heeft België in 2005 een aanvullend met redenen omkleed advies toegezonden en acht het door België daarop gegeven antwoord onbevredigend. [...] De voorwaarden die voor de detachering van personeel van een onderneming gelden, hebben gevolgen voor het vermogen van deze onderneming om haar diensten aan te bieden. De ondernemingen uit de Gemeenschap ondervinden echter nog vaak moeilijkheden wanneer zij personeel uit derde landen tijdelijk naar een andere lidstaat willen zenden om aldaar diensten te verrichten. Deze moeilijkheden zijn met name het gevolg van het feit dat niet alleen voorwaarden worden gesteld bij het binnenkomen, verblijven of werken van de werknemer in de ontvangende lidstaat, maar ook bij het terugkeren van de werknemer naar het land van de werkgever.
Het stellen van dergelijke voorwaarden is in strijd met het beginsel van het vrije verkeer van diensten. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (arrest van 27 maart 1990 in zaak C-113/89,
Rush Portuguesa) wordt de onderneming in de andere lidstaat door het opleggen van dergelijke voorwaarden gediscrimineerd ten opzichte van haar concurrenten in het ontvangende land, die vrij over hun personeel kunnen beschikken.
Het Hof van Justitie heeft reeds talrijke arresten gewezen in zaken in verband met de detachering van werknemers uit derde landen. Zo werd de voorwaarde dat werknemers uit derde landen die in de lidstaat van vestiging van hun werkgever reeds houder zijn van een wettige arbeidsovereenkomst, in het ontvangende land in het bezit van een arbeidsvergunning moeten zijn, door het Hof veroordeeld als een voorwaarde die "verder gaat dan wat als noodzakelijke voorwaarde voor het verrichten van diensten kan worden verlangd" (arrest van 9 augustus 1994 in zaak C-43/93,
Vander Elst). Overigens werden Luxemburg in 2004 (zaak C-445/03) en Duitsland en Oostenrijk in 2006 (zaken C-244/04 en C-168/04) veroordeeld omdat zij "aan de terbeschikkingstelling voorafgaande controles" hadden toegepast en voorwaarden hadden gehanteerd die verder gingen dan de in het vorengenoemde arrest "Vander Elst" door het Hof vastgelegde beginselen.
In haar mededeling van 13 juni laatstleden (
IP/07/817) over de detachering van werknemers (zie ook
IP/06/423) heeft de Commissie erop gewezen dat zij er door de inleiding van inbreukprocedures op grond van artikel 226 van het Verdrag op zal toezien dat de conformiteit met het communautaire recht - zoals dat door het Hof met name in het arrest "Vander Elst" is uitgelegd - verzekerd is in gevallen waarin lidstaten verder arbeidsvergunningen en de vervulling van andere voorwaarden eisen van gedetacheerde werknemers uit derde landen.
Het laatste nieuws over de inbreukprocedures ten aanzien van alle lidstaten is te vinden op:
http://ec.europa.eu/community_law/eulaw/index_en.htm